Een Gesprek tussen twee Generaties

We Can Do It!

Voor het extra vak ‘Hoe werkt Nederland?’ aan de Universiteit van Amsterdam werden studenten geacht om een interview af te nemen bij NRC-lezers die zich ook voor het vak hadden ingeschreven. Het werd een gesprek tussen twee generaties: over emancipatoire ontwikkelingen en de nieuwe arbeidsmoraal.

Helmi Tunnissen (1952) is een zogeheten ‘bedrijfscoach’ en begeleidt werknemers en organisaties met haar trainingen en cursussen. In het kader van ‘hoe werkt(e) Nederland’ spreek ik met haar over arbeidsmoraal, feminisme en verschillen tussen generaties. Hoe stond zij als twintiger in het leven? Hoe kijkt ze naar de maatschappij van toen en nu? En was vroeger alles beter? Een verslag.
Het gesprek start levendig en enthousiast, en ik stel voor dat de vragen die ik op papier heb staan als rode draad het interview laat leiden. Ze knikt instemmend. We spoelen ver terug in de memorie en de verhalen gaan al snel naar de jaren ’70. Tunnissen had toen de leeftijd die ik nu heb bereikt: ze was een bevlogen twintiger. Ik vroeg me af hoe die tijd volgens haar het beste te omschrijven is. Daarop moest ze niet lang nadenken. Er was sprake van groeiende maatschappelijke weerstand tegen bestaande gezagsverhoudingen. De aanloop van de afbrokkeling van traditionele gezagsverhoudingen in de kerk, tussen werkgever en werknemer en tussen man en vrouw, was ingezet. Ze vertelt over haar achtergrond en hoe ze opgroeide in een klein, kerkelijk dorp in Noord-Brabant. Hoe dood normaal het was dat iedereen naar de kerk ging en dat de vrouw thuis bleef om voor de kinderen en het huishouden te zorgen.
Ik was me altijd al wel bewust van het feit dat de samenleving van vroeger er min of meer zo uit zou moeten hebben gezien, maar zij was op dit moment in staat om die – voor mij toch onvoorstelbare – verschillen heel dichtbij te brengen.
Als oudste in een gezin van vijf kinderen, ging ze eerst naar de lagere school in hetzelfde Brabant, waarop ze vervolgens het middelbare onderwijs op een kostschool in Limburg volgde. In dit nonnenhuis voelde ze zich alles behalve thuis: de onderdanigheid en kritiekloze gehoorzaamheid paste haar niet. De eerste breuk deed zich voor toen ze een artikel over de controversiële opvattingen van theoloog Schillebeeckx las. Ze was in de bijzondere positie om thuis bladen als Vrij Nederland, De Nieuwe Linie en De Groenen zonder heimelijk gedoe te lezen. Ze praatte er vooral met haar moeder over, omdat haar vader niet erg kerks was en ze het gevoel had dat hij in mindere mate overtuigd moest worden. Ik probeerde daar voor mezelf een voorstelling van te maken en om de contouren van die schets helder te krijgen, onderbrak ik haar even: ‘’u had daarin wel een redelijk uitzonderlijke positie…’’. Ze knikte en haastte zich te zeggen dat ik ‘gewoon kon tutoyeren, hoor’. Ik lachte haar toe en nam het voor de rest van het interview aan. Ze vervolgt haar verhaal en vertelt over het – in haar ogen – soms onchristelijke gedrag en de dubbele moraal van de nonnen. En hoe haar dat op 16 jarige leeftijd al had gesterkt in de overtuiging om de kerk de rug toe te keren en voor zichzelf – als vrouw- en voor haar broers en zussen op te komen. Ze kwam in aanraking met de homo- en vrouwenemancipatie, door graffitislogans van actiegroepen als Paarse September, die streden voor gelijke rechten van homo’s en lesbiennes. Voorzichtig vroeg ik naar haar idealen en of ik dat mocht typeren als feministisch. Met een grote glimlach sprak haar gezicht gepaste trots en op het laatste deel van die vraag antwoordde ze volmondig ‘ja’. Ze ondersteunde die beslistheid met de stelling dat ze voor principes als eerlijkheid en rechtvaardigheid streed. Uitgangspunten die mij als idealen lang niet onbekend in de oren klinken.
Ik vervolgde: ‘We hebben het er eigenlijk al over, maar wat was er toen nog meer allemaal aan de orde van de dag?
‘’De ontkerkelijking en ontzuiling, dus. Vooral jongeren stapten af van de kerk. En niet te vergeten de Maagdenhuisbezetting in ‘68/’69. Ik was er niet bij, maar raakte in 1970 als student opvoedkunde wel betrokken bij de studentenrevolte. Het ging er wel wat… – hoe moet ik dat zeggen – militanter aan toe dan nu.’’ Ik vroeg of dat misschien komt doordat mijn generatie misschien te verwend is om op militantere wijze actie te voeren – er valt relatief veel te verliezen. ‘’Ja, dat zou goed kunnen. Maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet slecht te zijn.’’ Ik zei dat ik het daar mee eens ben. Geweldloos verzet heeft ook in mijn ogen altijd prioriteit. En toch vroeg ik nog of er niet iets meer vuur nodig is om handhavers van de status quo in beweging te krijgen, zoals destijds die graffitislogans bijvoorbeeld. Daarop antwoordt ze dat het toentertijd noodzakelijk was en het uiteindelijk ook geholpen heeft. Ze vervolgt: ‘’De emancipatiebeweging van vrouwen en homo’s lag in lijn met de marxistische ideeën die aan de universiteit leefden. De studenten sympathiseerden met de arbeidersbeweging. Ik weet ook nog dat ik Den Uyl (PvdA) wilde stemmen. Nou, daar waren ze thuis absoluut niet blij mee. Er werd gewoon van je verwacht op Van Agt te stemmen.’’ ‘’Van het CDA?’’, ontbrak ik haar ietwat onverschillig en naïef. Ze glimlachte en maakte me duidelijk dat het toen nog KVP (Katholieke Volkspartij) heette. Een naam die me wel bekend voorkwam.
‘’ Je hebt me in eerste instantie uitgenodigd om te praten over arbeidsmoraal, omdat je daar een boek over geschreven hebt. Waar gaat het boek in zijn algemeenheid over?’’
‘’Ik zie in meerdere mate dat deze generatie veel makkelijker status en geld weet te relativeren. Dat vind ik positief. Geld wordt niet meer boven alles gesteld. Dat brengt een ontwikkeling van een ander arbeidsethos met zich mee.’’ Ik laat snel weten dat ik er persoonlijk ook zo tegen aan kijk, maar breng de nuance in dat er in de praktijk toch nog het blindelings verdienen van veel geld wordt nagestreefd, ook in mijn generatie. Ze knikt weifelend en, optimistisch als ze is, wijst ze meteen op de positieve kantelingen die ook in haar boek beschreven worden. De plattere organisatieontwikkeling, afbrokkeling van vastgeroeste hiërarchieën en de stijgende macht van de consument. Het feit dat Babyboomers en Generatie X[1] in eerste plaats altijd loyaal waren aan hun werkgever vanwege het kostwinnerprincipe, is de Generatie Y[2] in eerste plaats loyaal aan zichzelf en kiest daardoor ook vaker vanuit passie en plezier hun werk. Het doet me – nu ik me het gesprek weer inbeeld – denken aan de leus van hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans die ik ook altijd gebruik: ‘we leven niet in een tijdperk van veranderingen, maar in een verandering van tijdperk.
’Hoe zou je de huidige samenleving omschrijven?’’
‘’Veilig, welvarend en harmonieus, sprak ze beslist. Zowel emotioneel als fysiek veilig.’’
‘’We hebben het alleen over Nederland’’, vraag ik haar nog voor de zekerheid. ‘’Ja, natuurlijk. Ik kan gewoon in mijn eentje ’s nachts over straat, hoor. Geen enkel probleem.’’
’Dus vroeger was niet alles beter?’’
‘’Nee, integendeel! Alleen al als je kijkt naar iets als hygiëne. Een douche en bad is nu vanzelfsprekend voor ons, maar maakte pas in mijn tijd zijn opmars. Dat was echt uniek.Bovendien werkten mensen zich helemaal kapot.’’ Ik vroeg haar of ze het niet met me eens was dat in onze huidige samenleving mensen zich ook helemaal kapot werken. Antidepressiva rollen als warme broodjes over de toonbank, mensen zitten bij de arbeidspsychiater vanwege veel te veel stress en proberen koste wat het kost hun baan te behouden om een vaak dure en op schuld gebaseerde levensstijl te onderhouden. Ze knikt, maar wijst tegelijkertijd op het verschil in arbeidsomstandigheden. ‘’Er zijn betere wetten gekomen voor arbeidsongeschiktheid en de onderhandelingspositie van werknemers is verbeterd. Daarnaast is door het grote aantal deeltijdwerkers ook de vrije tijd voor mensen persoonlijk toegenomen. Toen ik kind was, konden weinig gezinnen zich een vakantie veroorloven, laat staan ver weg naar het buitenland. Grofweg is de situatie er echt op vooruit gegaan.’’
De tijd vervliegt en ik vraag haar enigszins gehaast wat in haar ogen op dit moment de grootste uitdagingen zijn voor de toekomst. Ze antwoordt wederom overtuigend en beslist: ‘’De wereldproblematiek, met betrekking tot migratiestromen en bevolkingsgroei. Een holistische visie op de huidige problematische vraagstukken is essentieel voor stabiel en rechtvaardig mondiaal beleid.’’ We zijn het (wederom) van harte eens.

[1] Grofweg geboren tussen 1955 en 1970
[2] Grofweg geboren tussen 1985 en 2001

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *